Collegiale uitlening

Ook de zogenoemde ‘Collegiale uitlening’ valt niet onder het begrip ‘het ter beschikking stellen van arbeidskrachten’. Collegiale uitlening ziet op het bij wijze van toon zonder winstoogmerk ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die bij de die hen ter beschikking stelt ten behoeve van arbeid in diens onderneming in dienst zijn. Denk in dat geval aan de situatie waarbij een ondernemer die tijdelijk voor aantal werknemers geen werk heeft, die werknemers ter beschikking stelt van een andere ondernemer, die al dan niet in dezelfde bedrijfstak werkzaam is, en die behoefte heeft aan een aantal extra arbeidskrachten. In dit geval spelen twee zaken. Allereerst dat de arbeidskrachten in dienst zijn bij de eerstbedoelde werkgever voor het verrichten van arbeid in zijn onderneming. Vervolgens ontbreekt het winstoogmerk.

Alleen om die redenen geldt de uitzondering. Dat de onderneming die de arbeidskrachten ter beschikking stelt daar een zeker voordeel bij heeft, namelijk dat het dienstverband met die werknemers in stand blijft, doet daar verder niets aan af. Maar er zijn wel grenzen. De uitzondering wat betreft de collegiale uitlening is alleen van toepassing als er sprake is van ‘bij wijze van hulpbetoon’. Daaruit kan worden afgeleid dat het moet gaan om een tijdelijke terbeschikkingstelling. Hoewel de WAADI door intermediairs daar geen maximumduur aan koppelt, is er bij een terbeschikkingstelling van arbeidskrachten voor een periode van 7 maanden toch geen sprake meer van een tijdelijk hulpbetoon. Daarbij moet worden gedacht aan het opvangen van een niet voorziene ‘piekbehoefte’, aan een incidentele uitlening om een in nood geraakte collega bij te staan op een moment dat er in de eigen onderneming sprake is van ‘leegloop’.

De intraconcernuitlening

Zoals hiervoor al is geschreven (zie onderdeel ‘Een ander’) is een onderdeel van de omschrijving van het begrip ‘het ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ dat de arbeidskracht ter beschikking wordt gesteld aan ‘een ander’. Wanneer die ‘ander’ een onderneming is, die door dezelfde ondernemer in stand wordt gehouden als de onderneming die de arbeidskrachten ter beschikking stelt, dan valt dat buiten de reikwijdte van het begrip ‘het ter beschikking stellen van arbeidskrachten’. Aan het begrip ‘ondernemer’ kan dezelfde betekenis worden toegekend als aan dat begrip, zoals dat in de WOR wordt gebruikt. In die wet is de ondernemer omschreven als ‘de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt’ (zie art. 1 lid 1 onderdeel d WOR). Voor de betekenis van het begrip ‘onderneming’ wordt verwezen naar de WOR (zie in art. 1 lid 1 onderdeel f WAADI). In de WOR is ‘onderneming’ omschreven
als ‘elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin op grond van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling.